Tuesday, 26 May 2009
Where do you come from?
Op een van de eerste dagen na mijn terugkomst in Hyderabad ging ik naar de stad. Met de bus natuurlijk. Want die is weliswaar zeer rammelend maar ook erg goedkoop en je kunt er nog eens een praatje maken. Gezellig. Als je binnenkomt kijken de mensen je aan alsof je van Mars komt. Maar al gauw overwint de eerste zijn schuchterheid en vraagt: "Where do you come from"? En de conversatie kan beginnen. Zo in het begin kijk je natuurlijk ook of er veel veranderd is in de stad. En ja hoor, al snel ontdekte ik aan mijn rechterkant iets nieuws. Waar vorig jaar nog een lange grijze muur een stuk onbebouwd land aan het zicht had onttrokken was nu een zee van grijze en blauwe hutjes te zien. Kennelijk hadden velen uit de omliggende dorpen en heuvels op zoek naar werk en welvaart zich op dat stukje braakliggende land gevestigd. Weer een paar dagen later las ik in de krant dat de Communistische Partij van India (de Marxistische wel te verstaan. Want er zijn in India meer Communistische partijen, soms ondergronds. Het bestuur van die CPI-M heet trouwens nog steeds Politbureau. Echt waar; je blijf lachen. Maar dit allemaal terzijde.) afdeling Hyderabad, zich het lot van de bewoners van het tentenkamp, dat hier een Shandytown heet, had aangetrokken en een demonstratie voor het stadhuis had gehouden om goede huisvesting voor die mensen te eisen. Niet onredelijk lijkt me. Toen herinnerde ik me dat ik kort daarvoor een aantal vrachtwagens vol mensen had gezien die al roepend en zwaaiend met rode-hamer-en-sikkel-vlaggen door de stad reden vergezeld van vele ta-toe-ende politieauto's.En toen ik daarna weer eens het tentenkamp voorbij reed zag ik dat vele bouwsels nu getooid waren met zo'n rood vlaggetje met de omgekeerde hamer-en-sikkel. (Weet die Bos van jullie, die zich vooral bezighoudt met het opkopen van banken, hier trouwens wel van af?)Ik liep terug van de verkeersweg over het zandpad langs een onbebouwde akker naar het HMI-gebouw. Naast het hek vlak bij de verkeersweg zat de wachtsman van het HMI. Waarom daar en niet zoals gewoonlijk bij het hek naast het gebouw? Een paar dagen bleef ik met die vraag zitten maar toen vroeg ik het aan de concierge van het hostel, die ik in gedachten steeds de bewaakster noem. Wel, zei de dame, heb je dat tentenkamp gezien op die gekraakte grond langs de weg? Natuurlijk, antwoordde ik, een ik weet ook van de pogingen van de CPI-M om ze aan goede woonruimte te helpen. Maar wat heeft dat te maken met de plaats waar de wachtsman van het HMI zit? Wel, zei ze, je weet dat er tussen het HMI en de verkeersweg ook een stuk onbebouwd land ligt. Dat is in eigendom van een heel rijke man met vele bezittingen. En die wacht net zolang totdat hij voor dat stuk grond een goede prijs kan krijgen. En om te voorkomen dat dat land ook gekraakt wordt, zit onze man nu direkt aan de weg. Dan kan hij alarm slaan zodra andere landlozen willen binnenkomen en ze wellicht met de hulp van de politie nog tegenhouden.Een afdoende verklaring, lijkt mij. Het geeft ook zo'n troep, al die hutten voor de deur. Al die lawaaiige kinderen; al dat afval. Bovendien is het geen gezicht. Maar soms vraag ik me wel eens af ....
Nieuwe Christenvervolgingen?
Zo'n 1600 jaar geleden vonden er in het immense Romeinse Rijk grote christen-vervolgingen plaats. Vooral keizer Diocletianus, die de oostgrens van het Rijk zo succesvol tegen de Perzen verdedigde, was daarvoor verantwoordelijk. Het motief achter deze vervogingen was, dat de christenen maar lastige burgers waren die een soort vijfde colonne binnen het Imperium vormden. Zij weigerden immers om de Keizer als Godheid te erkennen. Vooral bestuurders en officieren die christen waren geworden moesten het ontgelden. Hun loyaliteit aan de God-Keizer als allerhoogste baas moest immers voorop staan.En als ze niet bereid waren dat te bevestigen, restte maar een straf: de doodstraf. Weg met die loochenaars van de al-oude Romeinse tradidies. Rome voor de Romeinen! We zijn nu eeuwen verder, maar soms lijkt er niets te zijn veranderd. In Orissa en enkele andere zuid-oostelijke deelstaten van India worden christenen vervolgd omdat ze de aloude Indiase tradities hebben afgezworen en christen zijn geworden. En volgens zeer velen mag dat niet: Hindoestan (India) voor de Hindoes. Weg met die verraders! Hun hutten worden verbrand, hun kerkgebouwen verwoest. Velen van hen worden gedood en verkracht. Alleen als ze bereid hun nieuwe geloof af te zweren, mogen ze terugkomen naar hun dorpen. Als Hindoe, anders niet.Hoe komt dat nou, deze plotseling oplaaiende gewelddadigheden? Wel, het gebeurt niet plotseling en het zat er al een hele tijd aan te komen. India kent al enkele tientallen jaren een sterke Hindoe-nationalistiche beweging. Ontstaan ten tijde van het Duitse en Italiaanse fascime en begiftigd met de aan hen ontleende ideeen over "Blut und Boden". De belangrijkste vertegenwoordiger van deze Hindutva-beweging is momenteel de BJP-partij en enkele regionale, nog radicalere organisaties. De BJP zat rond de eeuwwisseling in de regering en moet verantwoordelijk worden gesteld voor enkele bloedige uitbarstingen van religieus geweld tussen Moslims en Hindoes, vooral in Gutjarat en andere Noordelijke gebieden. Met als gevolg duizenden doden en een langdurige ontwrichting van de samenleving. Maar nu zit die BJP al weer enige tijd in de oppositie. Een oppositie die weinig heeft opgeleverd en de Hindutva zijn daardoor uit het centrum van de belangstelling geraakt. Tijd om daar wat aan te doen. Opnieuw de Moslims aanpakken, is niet zo verstandig. Die hebben zich inmiddels beter georganiseerd en laten zich niet meer zo snel opjutten. Pak dan die andere minderheidsgroep met een geloof dat ook on-Indiaas is: de christenen. Zij zijn klein in aantal, leven verspreid en vooral de jonge, evangelische kerken hebben geen overkoepelende structuren. Bovendien bestaan hun leden vooal uit kastelozen en stamleden, die al ueberhaupt niets te vertellen hebben. Geef andere straatarme kastelozen een beloning van duizend Roepees als ze de christenen verjagen en hun hutten in brand steken en het karwei is gauw geklaard. Het is snel en gemaakkelijk verdiend geld, dus de volgende dag staan ze weer klaar voor dezelfde job elders. Hun opdrachtgever stelt gratis vervoer ter beschikking. En zo gaat het door, nu al weken lang. Politie en leger staan praktisch machteloos. Het Indiase platteland is gigantisch groot. De wegen zijn slecht en gemakkelijk te blokkeren door een paar gekapte bomen. De mensen in de dorpen en in de stamgebieden beschikken nauwekijks over moderne communicatiemiddelen als GSM's. Wapens hebben ze ook niet, behalve een paar zelfgemaakte geweren, bamboesperen en pijl en boog. Als er wat gebeurt is, komt de politie bijna altijd te laat.Waarom nu deze aanvallen? Waarom niet verleden jaar of volgend jaar? Omdat ze deel uitmaken van een zorgvuldig getimede campagne. In 2010 zijn de volgende reguliere verkiezingen voor het Indiase Parlement. Om niet te laat te zijn, moet je nu beginnen. Het land wordt geteisterd door voortdurende bomaanslagen, gepleegd in de regel door Moslim-radicalen. (Nog een reden om nu de Moslims niet aan te pakken: door die bommemleggers doen ze dat zichzelf al.) De regering is kennelijk niet bij machte om daaraan een halt toe te roepen en de kritiek op het falende beleid groeit. Bovendien heeft deze regering de laatste tijd wel andere dingen aan het hoofd. Het gesprek van de dag is de nucleaire overeenkomst met de VS. De in India sterke linkse partijen vinden dat maar niets, zo'n verdrag met die imperialistische kapitalisten. En dus groeit de kritiek vanuit links. En als het centrum onder zware kritiek van zowel rechts als links komt te staan, wordt men waar ook ter wereld enigszins nerveus. Dus zinspeelde de Voorzitter van de Congresspartij al op vervroegde verkiezingen, om het succes van de "N-deal" te verzilveren en links en rechts de wind uit de zeilen te nemen. En de christenen in Orissa? Het is regentijd en hun vluchtelingenkampen is een grote modderpoel. Wanneer kunnen ze terug en wie zal hun verwoestte onderkomens weer opbouwen?Zij zijn vooral de slachtoffers van het grote spel in Delhi.Ook wat dit betreft herhaalt de geschiedenis zich maar al te vaak.--------------------
Met de trein in India.
Wel, op pad dus naar dat vermaledijde reserveringskantoor. Het was inmiddels een uur of drie geworden, het heetst van de dag. Het zweet liep me tappelings van het gezicht. Maar niet geklaagd, ik was immers op de goede weg? En, inderdaad, achter de ATM (Automatic Teller Machine (in het Nederlands een Flappentap) was een gebouw met de naam Reservation Office. Ik ging naar binnen. Het was druk; kennelijk wilden veel Indiers op reis. Het eerste loket na binnenkomst beloofde mij het noodzakelijke formulier te verschaffen. Maar het loket was onbemand en het bakje met blanco formulieren leeg. Wat nu? Ik begon door de hal te dwalen op zoek naar zo'n formulier. Eindelijk vond ik er een op de grond. Een beetje besmeurd, maar dat gaf niks. Terug naar het eerste loket. Inmiddels hadden ze (wie?) het bakje weer gevuld en kon ik een ongerept formulier pakken. Maar verdorie, ik had vergeten een pen mee te nemen. Geen nood, er is altijd een Indier in de buurt met zo'n ballpen in zijn borstzak die bereid is om dat ding even uit te lenen. Zo goed als kwaad het formulier ingevuld. Maar dan naar het volgende loket. Er waren er zo'n dertigtal. Voor politiemensen, voor het leger, voor artsen, voor jounalisten en ga zo maar door. Uiteindelijk besloot ik om te kiezen voor het loket van de chronisch zieken, de buitenlandse toeristen en de senioren. Dat heb ik geweten! Er zijn kennelijk heel veel chronisch zieken in India, allemaal willen ze op reis met een rose briefje van de dokter. Bijna een uur stond ik in de rij, luisterend naar de ongetwijfeld vermakele, maar voor mij volstrekt onbegrijpelijke discussies tussen de overstresste heer achter het loket en de applicanten voor het venster. Het ging er soms heet aan toe. Geen idee dus, waarom. Toen viel de stroom uit. Oh neee, dacht ik, die computers doen het niet meer. Dat viel mee. Alleeen de ventilatoren hielden ermee op. Het werd dus nog wat warmer zou je kunnen zeggen. Doorweekt van mijn eigen zweet was ik al dus dat kon er nog wel bij. Toen was ik aan de beurt. Met een orgiastich gevoel gaf ik het aanvraagformulier en mijn paspoort aan de hartwerkende beambte. Het zou er eindelijk van komen. Nou nee, nog niet. Want op tal van plaatsen had ik het formulier verkeerd ingevuld. Ook had ik mijn telefooonnummer niet aangegeven. Maar ik heb toch geen telefoonnummer in India? De man keek me even wantrouwend aan. Een mens zonder telefoonnummer? Nou ja, vooruit dan maar. Maar wat betreft mijn voorrangspositie? Was ik een VIP, een senior of een buitenlandse toerist? Alle drie zei ik, maar de man begreep mij niet. Omstanders schoten mij te hulp. Ze vertelden mij wat ik moest doen en na nogal wat gekrabbel was het formulier eindelijk goed in de ogen van de spoorbeambte. De machine ratelde. Mijn kaartje! Zevenenzestig Roepies! Jaaahhh! Direct Hit! Score! Wow! Mijn munitie-van-geduld was bijna op toen ik een fiets-rickshaw chauffeur riep om terug te gaan naar de vriendelijke paters van Don Bosco. Niet dat hij wist waar ik naar toe moest, maar dat probleem kende ik al. Een half uurtje later was ik thuis. De chauffeur wilde meer geld. Geen wonder als je een overgelukkige Europeaan op je fiets hebt gehad. En ik? Ik was in alle wolken en gaf de man een tientje extra. Het was een feestdag. Ja toch? In mijn kontzak dat kostbare document. Een treinkaartje voor de vroege zaterdagmorgen. Here we come!Mission accompliced.
De crisis en de schande.
De crisis en de schande.
De opening van de “Nieuwe Rotterdamsche Courant” van 10 mei 1940. Het zal niemand toen ver baast hebben. “Duitsche aanval op Nederland” kopte de krant op de voorpagina. Verder lezende gaf de achterkant van deze toen al kwaliteitskrant een geheel ander beeld. Op bladzijde vier werden er te Rotterdam scherfvrije schuilkasten aan geboden. Voor tuin of kelder. Korte levertijd.
Ik las deze artikelen toen er een uitnodiging bij mij op de deurmat viel. Of ik me in de loop van de volgende maand wilde inschrijven voor een programma over “Hoopvolle perspectief op de crisis. Onderliggende waarden winnen.” In een voormalig klooster in het Zuiden des Lands. Van tien tot zeven uur. Deelnemers betalen slechts een bedrag van 180 Euro.
We zitten in een crisis. Begonnen, althans hier in Europa, in de herfst van het vorig jaar als een creditcrisis. Een probleem van banken, hun leningen en hun schulden. Allengs verworden tot een wereldwijde economische crisis. De handel, altijd afhankelijk van over en weer vertrouwen kwam bijna tot stilstand. Bedrijven hielden op met investeren en particulieren hielden hun geld in beurs en geldkous. Zo is het begonnen vorig jaar en zo is het nog steeds.
En dan duiken de berichten op. Dat de crisis is gekomen om onszelf scherp te maken. Dat deze crisis ook voordelen heeft. Dat we nu gedwongen worden na te denken over wat we hebben. Dat het materiƫle gedoe nu toch echt achter ons.
Het aardige ook nog is dat dit soort opvattingen het erg goed doen ten tijde van de afgelopen tijd voor Pasen, de lijdenstijd. Een tijd waarin sommige of wellicht vele christenen het een beetje kalmer doen en minder snoep en vlees eten. Een dergelijk streven is erg aaibaar. Het helpt de beoefenaar. En misschien is er een voorbeeldwerking. De derde wereld zal er waarschijnlijk te profiteren. Zo verschijnen in vele artikelen en kranten artikelen over dit punt. De ellende, de boete en de dankbaarheid.
Wat een onzin. Een paar dagen voordat de Duitse bommenwerpers de binnenstad volstrooiden adverteerde een eveneens Rotterdams bedrijf voor scherfvrije schuilkasten. Vele al dan niet christelijke organisaties proberen nu hun slaatje te slaan uit de hedendaagse ellende. Het is iets van alle tijden en eeuwen. Ik moet zeggen dat ik hier tamelijk boos over wordt. De oorzaken van de huidige crisis zijn tamelijk bekend. Een gevolg van ons systeem van kapitalisme. Het geld –ons geld en dat van anderen- moest zonodig vloeien waar dan ook ter wereld. En we hadden toch die schakeling van “stakeholders” naar “sharetakers”? Uiteindelijk heeft het niet geholpen en zitten we nu met de problemen.
En dan komen die zalvende moraliserende mensen en bedrijven. Zij vertellen ons dat de crisis eigenlijk goed is. Dat het een zegen is en wij ervoor dankbaar zouden moeten zijn. De crisis als zegen. Weten jullie wel lijkenpikkers wat deze crisis betekent in het leven van gewone mensen? Mensen hier in de Flevopolder en in Oostgroningen? In de Yuppenkastelen van Amsterdam-Centrum? Weten jullie zalvende ethische westers-wijsneuzen , dat vele miljoenen chinezen ontslagen zijn en terug moeten naar hun geboortedorpen? Dat zovelen zovelen miljoenen op het oneindige platteland van het India weer minder te besteden hebben vanwege de wereldwijde daling van de voedselprijzen? De crisis die begonnen in de bankwereld, kost hen hun brood. Overal en altijd.
Ik heb het nog niet eens gehad over deze crisis in onze Nederlanden. De schattingen van de komende werkloosheid lopen van vijf tot acht procenten. Bent U wel eens langere tijd werkloos geweest? Bent U toen vervolgens in de bijstand terecht gekomen? Hoe ging dat?
Hebt U wel eens in Uw leven de crisis als een geschenk gezien? Van God of van diens al dan niet onderdanen?
Alsjeblieft, hou op met dat ethisch gezever. Kennissen van mij hebben een groot deel van hun pensioenvoorziening verloren zien gaan als gevolgen van die crisis. Vele andere vrienden hebben het in China en India veel moeilijker gekregen. Een crisis is iets slechts; niet iets van God of wat dies meer zij. Laten we toch ons verstand gebruiken. Dat ons leert dat wij vrij en onafhankelijk zijn. Wij kunnen keuzes maken. Wij zijn lener en uitlener; handelaar en fabrikant. Dat systeem brengt ons verder. De smering daarvoor is het vertrouwen. Vertrouwen in elkaar. Dat we het samen beter kunnen maken.
Het slechtste wat we zouden kunnen doen en denken is het goed praten van de crisis en haar gevolgen. Dan haal je de Duivel binnen. Willen we dat?
Piet Kruizinga.
De opening van de “Nieuwe Rotterdamsche Courant” van 10 mei 1940. Het zal niemand toen ver baast hebben. “Duitsche aanval op Nederland” kopte de krant op de voorpagina. Verder lezende gaf de achterkant van deze toen al kwaliteitskrant een geheel ander beeld. Op bladzijde vier werden er te Rotterdam scherfvrije schuilkasten aan geboden. Voor tuin of kelder. Korte levertijd.
Ik las deze artikelen toen er een uitnodiging bij mij op de deurmat viel. Of ik me in de loop van de volgende maand wilde inschrijven voor een programma over “Hoopvolle perspectief op de crisis. Onderliggende waarden winnen.” In een voormalig klooster in het Zuiden des Lands. Van tien tot zeven uur. Deelnemers betalen slechts een bedrag van 180 Euro.
We zitten in een crisis. Begonnen, althans hier in Europa, in de herfst van het vorig jaar als een creditcrisis. Een probleem van banken, hun leningen en hun schulden. Allengs verworden tot een wereldwijde economische crisis. De handel, altijd afhankelijk van over en weer vertrouwen kwam bijna tot stilstand. Bedrijven hielden op met investeren en particulieren hielden hun geld in beurs en geldkous. Zo is het begonnen vorig jaar en zo is het nog steeds.
En dan duiken de berichten op. Dat de crisis is gekomen om onszelf scherp te maken. Dat deze crisis ook voordelen heeft. Dat we nu gedwongen worden na te denken over wat we hebben. Dat het materiƫle gedoe nu toch echt achter ons.
Het aardige ook nog is dat dit soort opvattingen het erg goed doen ten tijde van de afgelopen tijd voor Pasen, de lijdenstijd. Een tijd waarin sommige of wellicht vele christenen het een beetje kalmer doen en minder snoep en vlees eten. Een dergelijk streven is erg aaibaar. Het helpt de beoefenaar. En misschien is er een voorbeeldwerking. De derde wereld zal er waarschijnlijk te profiteren. Zo verschijnen in vele artikelen en kranten artikelen over dit punt. De ellende, de boete en de dankbaarheid.
Wat een onzin. Een paar dagen voordat de Duitse bommenwerpers de binnenstad volstrooiden adverteerde een eveneens Rotterdams bedrijf voor scherfvrije schuilkasten. Vele al dan niet christelijke organisaties proberen nu hun slaatje te slaan uit de hedendaagse ellende. Het is iets van alle tijden en eeuwen. Ik moet zeggen dat ik hier tamelijk boos over wordt. De oorzaken van de huidige crisis zijn tamelijk bekend. Een gevolg van ons systeem van kapitalisme. Het geld –ons geld en dat van anderen- moest zonodig vloeien waar dan ook ter wereld. En we hadden toch die schakeling van “stakeholders” naar “sharetakers”? Uiteindelijk heeft het niet geholpen en zitten we nu met de problemen.
En dan komen die zalvende moraliserende mensen en bedrijven. Zij vertellen ons dat de crisis eigenlijk goed is. Dat het een zegen is en wij ervoor dankbaar zouden moeten zijn. De crisis als zegen. Weten jullie wel lijkenpikkers wat deze crisis betekent in het leven van gewone mensen? Mensen hier in de Flevopolder en in Oostgroningen? In de Yuppenkastelen van Amsterdam-Centrum? Weten jullie zalvende ethische westers-wijsneuzen , dat vele miljoenen chinezen ontslagen zijn en terug moeten naar hun geboortedorpen? Dat zovelen zovelen miljoenen op het oneindige platteland van het India weer minder te besteden hebben vanwege de wereldwijde daling van de voedselprijzen? De crisis die begonnen in de bankwereld, kost hen hun brood. Overal en altijd.
Ik heb het nog niet eens gehad over deze crisis in onze Nederlanden. De schattingen van de komende werkloosheid lopen van vijf tot acht procenten. Bent U wel eens langere tijd werkloos geweest? Bent U toen vervolgens in de bijstand terecht gekomen? Hoe ging dat?
Hebt U wel eens in Uw leven de crisis als een geschenk gezien? Van God of van diens al dan niet onderdanen?
Alsjeblieft, hou op met dat ethisch gezever. Kennissen van mij hebben een groot deel van hun pensioenvoorziening verloren zien gaan als gevolgen van die crisis. Vele andere vrienden hebben het in China en India veel moeilijker gekregen. Een crisis is iets slechts; niet iets van God of wat dies meer zij. Laten we toch ons verstand gebruiken. Dat ons leert dat wij vrij en onafhankelijk zijn. Wij kunnen keuzes maken. Wij zijn lener en uitlener; handelaar en fabrikant. Dat systeem brengt ons verder. De smering daarvoor is het vertrouwen. Vertrouwen in elkaar. Dat we het samen beter kunnen maken.
Het slechtste wat we zouden kunnen doen en denken is het goed praten van de crisis en haar gevolgen. Dan haal je de Duivel binnen. Willen we dat?
Piet Kruizinga.
Nederlandse identiteit.
Nederlandse identiteit op het ijs?
Nog niet zo lang geleden vertelde de Kroonprinses dat er geen specifieke Nederlandse identiteit zou bestaan. Volgens velen een terechte uitspraak. Volgens vele anderen was “dat wel een bietje dom, ja”. En het debat begon. Dat debat kreeg de afgelopen weken een onverwachte wending. De vorst viel in; er ontstond een dikke laag ijs en Nederland ging massaal op de schaats. En de commentatoren wisten het al snel. Daar op dat ijs was de Nederlandse identiteit te vinden. Daar herleefde het collectieve volksgevoel. Het schaatsen als de ultieme overwinning op onze erfvijand: het water. Gereserveerd als ik ben op dit punt bond ik tamelijk laat de schaatsen onder. Eigenlijk meer als metgezel van een paar kleinkinderen dan als schaatser. Op naar de ijsbaan. Het werd een gedenkwaardige middag. Laat ik het eerst over mezelf hebben. Het kostte me enige moeite om met schaatsen aan de baan op te klunen. Maar gelukkig geen enkel probleem. Blozende dames van een jaar of veertig staken me hun bereidwillige handen toe. En zo werd ik hand aan hand de baan opgeleid. De rest van de middag besteedde ik aan het bekijken van het publiek en het meimeren daarover. Het eerste was me opviel was de ontspannen sfeer. Er viel geen onvertogen woord. Het was, wat je zou kunnen noemen, gezellig. Ziet de Nederlandse identiteit er zo uit? Niets te klagen dan. En dan de schaatsenrijders. Er waren er die nonchalant met de schaatsbeschermers op de rug en een donkerblauw mutsje over de schedel als Sven Kramer de baan kruisten. Meestal mannen in de veertig. Beleefden zij nog eenmaal hun jeugd? Gemakkelijk overstappend en mild glimlachend ontweken zij de talrijke kinderen die al krabbelend hun pad kruisten. Wat deden zij op de ijsbaan? Er waren toch voldoende toertochten uitgezet langs berijpte rietpluimen en dode ijsvogels? Nou ja, de baan zal wel dichtbij zijn geweest en gelegenheid te bieden aan talrijke goedgemutste dames. Maar verreweg de meeste rijders waren kinderen tot achttien jaar. Op allerhande soorten schaatsen. Van de ouwe Friese doorlopers, ongetwijfeld van opa geleend, tot die moderne speelgoed hockeyschaatsen. Waren ze aan het schaatsen? Welnee. Ze krabbelden wat. Soms achter een kleuterstoel om het te leren. Net als ik vijftig jaar geleden. Achter een stoel over de veenkoloniale vaarten. Maar het mooist vond ik de paartjes, hand in hand over het ijs glijdend. Nee, dat had niets te maken met een heropbloeiende verliefdheid. Maar meer met een poging om elkaar te behoeden voor een plotselinge val. Kan het beter en mooier? Op de achtergrond schalde de muziek uit de luidsprekers. Zonder uitzondering Hollandse smartlappen, waarvan ik het bestaan niet vermoed had. Niemand die het trouwens leek te horen. Eigenlijk was er maar een dissonant: de baanveger die op zijn gemotoriseerde bezem luidkeels elke mogelijke sta-in-de-weg luidkeels tot de orde riep. Bijna alles prettig en positief dus. Maar was hier daarom de Nederlandse identiteit die Prinses Maxima niet zag? Ik zag weinig gekleurde gezichten. Een paar, van kennelijk Surinaamse en Molukse afkomst. Maar feitelijk was het een blanke bedoening. Is de Nederlandse identiteit voornamelijk blozend, krabbelend en vooral blank?
Elk voordeel heb zijn nadeel, sprak een van de grootste Nederlandse sporters onlangs. Waarom was ik met die kleinkinderen op de ijsbaan? Omdat hun moeder kort tevoren met spoed was weggeroepen naar de eerste-hulp-afdeling van het regionale ziekenhuis. Het aantal pols- en andere breuken rees de pan uit. Al het beschikbare en deskundige personeel moest zich melden. Alarmfase rood. Alles heb zijn nadeel. De daarop volgende dag hebben vele van de dappere schaatsers zich ziek moeten melden. Gevallen door eigen of andermans onhandigheid. Kennelijk mag onze identiteit wel wat kosten. Veel pijn, maar ook veel geld.
Terug van mijn bezoek aan de ijsbaan vroeg ik me af of daar nu de sleutel lag voor het antwoord op onze vragen naar onze identiteit. Aan de ene kant onderging ik het bad van de gezelligheid; de wederzijdse verstandhouding en hulp. De gezelligheid, dat niet te vertalen woord. Kennelijk doet ijs dat met ons Nederlanders. Waarom zouden bijna alle buitenlandse kampioenen met zoveel heimwee spreken over de sfeer in het Heerenveense stadion? Aan de andere kant: als dit inderdaad iets is van onze identiteit; wie zijn dan de anderen die zonder schaatsen apart staan en wegblijven? Horen zij er niet bij? Een laatste vraag. Of ik inderdaad geschaatst heb die middag. Wel, laat ik het zo zeggen, ik heb het geprobeerd. Mijn bijdrage aan de al dan niet aanwezige identiteit. Bescheiden, maar toch.
Piet Kruizinga.
Nog niet zo lang geleden vertelde de Kroonprinses dat er geen specifieke Nederlandse identiteit zou bestaan. Volgens velen een terechte uitspraak. Volgens vele anderen was “dat wel een bietje dom, ja”. En het debat begon. Dat debat kreeg de afgelopen weken een onverwachte wending. De vorst viel in; er ontstond een dikke laag ijs en Nederland ging massaal op de schaats. En de commentatoren wisten het al snel. Daar op dat ijs was de Nederlandse identiteit te vinden. Daar herleefde het collectieve volksgevoel. Het schaatsen als de ultieme overwinning op onze erfvijand: het water. Gereserveerd als ik ben op dit punt bond ik tamelijk laat de schaatsen onder. Eigenlijk meer als metgezel van een paar kleinkinderen dan als schaatser. Op naar de ijsbaan. Het werd een gedenkwaardige middag. Laat ik het eerst over mezelf hebben. Het kostte me enige moeite om met schaatsen aan de baan op te klunen. Maar gelukkig geen enkel probleem. Blozende dames van een jaar of veertig staken me hun bereidwillige handen toe. En zo werd ik hand aan hand de baan opgeleid. De rest van de middag besteedde ik aan het bekijken van het publiek en het meimeren daarover. Het eerste was me opviel was de ontspannen sfeer. Er viel geen onvertogen woord. Het was, wat je zou kunnen noemen, gezellig. Ziet de Nederlandse identiteit er zo uit? Niets te klagen dan. En dan de schaatsenrijders. Er waren er die nonchalant met de schaatsbeschermers op de rug en een donkerblauw mutsje over de schedel als Sven Kramer de baan kruisten. Meestal mannen in de veertig. Beleefden zij nog eenmaal hun jeugd? Gemakkelijk overstappend en mild glimlachend ontweken zij de talrijke kinderen die al krabbelend hun pad kruisten. Wat deden zij op de ijsbaan? Er waren toch voldoende toertochten uitgezet langs berijpte rietpluimen en dode ijsvogels? Nou ja, de baan zal wel dichtbij zijn geweest en gelegenheid te bieden aan talrijke goedgemutste dames. Maar verreweg de meeste rijders waren kinderen tot achttien jaar. Op allerhande soorten schaatsen. Van de ouwe Friese doorlopers, ongetwijfeld van opa geleend, tot die moderne speelgoed hockeyschaatsen. Waren ze aan het schaatsen? Welnee. Ze krabbelden wat. Soms achter een kleuterstoel om het te leren. Net als ik vijftig jaar geleden. Achter een stoel over de veenkoloniale vaarten. Maar het mooist vond ik de paartjes, hand in hand over het ijs glijdend. Nee, dat had niets te maken met een heropbloeiende verliefdheid. Maar meer met een poging om elkaar te behoeden voor een plotselinge val. Kan het beter en mooier? Op de achtergrond schalde de muziek uit de luidsprekers. Zonder uitzondering Hollandse smartlappen, waarvan ik het bestaan niet vermoed had. Niemand die het trouwens leek te horen. Eigenlijk was er maar een dissonant: de baanveger die op zijn gemotoriseerde bezem luidkeels elke mogelijke sta-in-de-weg luidkeels tot de orde riep. Bijna alles prettig en positief dus. Maar was hier daarom de Nederlandse identiteit die Prinses Maxima niet zag? Ik zag weinig gekleurde gezichten. Een paar, van kennelijk Surinaamse en Molukse afkomst. Maar feitelijk was het een blanke bedoening. Is de Nederlandse identiteit voornamelijk blozend, krabbelend en vooral blank?
Elk voordeel heb zijn nadeel, sprak een van de grootste Nederlandse sporters onlangs. Waarom was ik met die kleinkinderen op de ijsbaan? Omdat hun moeder kort tevoren met spoed was weggeroepen naar de eerste-hulp-afdeling van het regionale ziekenhuis. Het aantal pols- en andere breuken rees de pan uit. Al het beschikbare en deskundige personeel moest zich melden. Alarmfase rood. Alles heb zijn nadeel. De daarop volgende dag hebben vele van de dappere schaatsers zich ziek moeten melden. Gevallen door eigen of andermans onhandigheid. Kennelijk mag onze identiteit wel wat kosten. Veel pijn, maar ook veel geld.
Terug van mijn bezoek aan de ijsbaan vroeg ik me af of daar nu de sleutel lag voor het antwoord op onze vragen naar onze identiteit. Aan de ene kant onderging ik het bad van de gezelligheid; de wederzijdse verstandhouding en hulp. De gezelligheid, dat niet te vertalen woord. Kennelijk doet ijs dat met ons Nederlanders. Waarom zouden bijna alle buitenlandse kampioenen met zoveel heimwee spreken over de sfeer in het Heerenveense stadion? Aan de andere kant: als dit inderdaad iets is van onze identiteit; wie zijn dan de anderen die zonder schaatsen apart staan en wegblijven? Horen zij er niet bij? Een laatste vraag. Of ik inderdaad geschaatst heb die middag. Wel, laat ik het zo zeggen, ik heb het geprobeerd. Mijn bijdrage aan de al dan niet aanwezige identiteit. Bescheiden, maar toch.
Piet Kruizinga.
Dader of ook slachtoffer?
Dader of (ook) slachtoffer?
Ik heb de TV-uitzending niet gezien, maar ik heb begrepen dat er veel gedoe is ontstaan rond de vraag of er nu ook voor Karst T. een kaarsje had moeten branden. Karst T. , het zal U niet ontgaan zijn, was de man die op Koninginnedag in Apeldoorn een aanslag wilde plegen op het Koninklijk Huis en daarbij een aantal omstanders doodde en verwondde en zelf ook bezweek. Voor de slachtoffers werd er een herdenkingsdienst gehouden waarbij kaarsjes werden gebrand. Maar niet voor de dader. Had dat wel gemoeten? Was de dader immers ook niet een soort slachtoffer? De discussie begon.
In de synagoge van Zwolle hangt een bord met daarop de namen van de in 1940-1945 omgekomen leden van de plaatselijke joodse gemeente met vermelding van de plaats waar ze werden vermoord. Bijna altijd een vernietigingskamp. Maar van een echtpaar wordt vermeld dat ze in een naburig dorp zijn gestorven. Dardoor nieuwsgierig geworden zocht ik verder en vond in een aanwezig register dat de twee waren gedood door het verzet. Waarom? Ik zocht verder en stuitte op een vreselijk verhaal. Het echtpaar was ondergedoken bij een gezin in de buurt van Zwolle en hun kinderen even verderop in een naburig dorp. De ouders verlangden naar hun kinderen en andersom. Het verlangen was zo groot, dat de ouders hun onderduikadres verschillende malen verlieten om hun kinderen op te zoeken. Meermalen waren zij gewaarschuwd door het verzet om dat niet meer te doen. Zij brachten immers door hun handelwijze zichzelf en anderen in groot doodsgevaar. Maar de ouderliefde was zo groot dat te telkens toch gingen. Het verzet zag geen enkele andere mogelijkheid dan de beide ouders om te brengen en hun lichamen heimelijk en schielijk te begraven. Hoe de schutter van destijds zich voelde bij zijn daad, vermeldt het verhaal niet. Was de man die de trekker overhaalde niet alleen dader, maar ook slachtoffer? En was het joodse echtpaar ook niet een beetje dader?
Enkele maanden geleden was groot in het nieuws het verhaal van een Drentse verzetsman die meegeholpen had een onderduiker, van wie men dacht dat hij aan de verkeerde kant stond, te doden en te begraven. Nu, 65 jaar later, herinnerde hij zich vaag de plek waar het lijk was begraven. Na enig zoeken werden de stoffelijke resten inderdaad gevonden. De oud-verzetsman voelde zich nog steeds bezwaard door de gebeurtenissen van toen. Was er juist gehandeld?
Een aantal jaren geleden bezocht ik in Leipzig een wat ouder echtpaar. De vrouw was van oorsprong Nederlandse en als meisje in de tweede wereldoorlog verliefd geworden op een duitse soldaat. Bij de bevrijding was ze als moffenmeid kaalgeschoren. Nadat haar geliefde uit krijgsgevangenschap teruggekomen was, trouwde ze met hem en verhuisden ze naar de toenmalige DDR. Anders dan degenen die haar destijds knipten, voelde zij zich nog steeds slachtoffer.
Wie zijn de daders en wie de slachtoffers? Is de dader vaak ook niet een slachtoffer en omgekeerd? Of mag je die twee niet door elkaar halen of met elkaar vergelijken? En is ook niet de positie van degene die zich deze vraag stelt van groot belang? Vaak hoor je de klacht dat in ons strafrecht de positie van de dader veel meer aandacht krijgt dan die van het slachtoffer. Rond de jaarlijkse nationale dodenherdenking op 4 mei krijgen de slachtoffers terecht veel aandacht. Maar wie zijn die slachtoffers? Horen daar de talloze Duitse dienstplichtigen die in Nederland hun leven lieten in de strijd tegen onze bevrijders ook bij? De meesten van hen hadden die oorlog niet gewild en waren gedwongen huis en haard te verlaten om in een voor hen vreemd land te sterven. Pas de laatste jaren is hier meer aandacht voor gekomen. Tot genoegen van de een en tot verdriet van de ander. Want lopen we niet het gevaar om daders en slachtoffers niet meer serieus te nemen als we hun posities en rollen vermengen? En waar zijn de grenzen? Is het denkbeeldig dat eens op een lijst van slachtoffers van het nationaalsocialisme de naam van ene A. Hitler, Leider te Berlijn, zal prijken? Of maak ik nu een cynische grap over iets dat geheel ondenkbaar is?
Terug naar de aanleiding, de herdenkingsdienst te Apeldoorn en de daar aangestoken kaarsen. Wat zou ik gedaan hebben? Als geboortig Calvinist ben ik niet opgegroeid met het branden van kaarsen voor overledenen. Toch brandt ik geregeld een kaars. Maar niet zozeer ter gedachtenis aan de dode maar meer ter bemoediging van de overlevenden. Ik zou die extra kaars dus hebben aangestoken. Alleen al ten behoeve van zijn ouders.
Piet Kruizinga.
Ik heb de TV-uitzending niet gezien, maar ik heb begrepen dat er veel gedoe is ontstaan rond de vraag of er nu ook voor Karst T. een kaarsje had moeten branden. Karst T. , het zal U niet ontgaan zijn, was de man die op Koninginnedag in Apeldoorn een aanslag wilde plegen op het Koninklijk Huis en daarbij een aantal omstanders doodde en verwondde en zelf ook bezweek. Voor de slachtoffers werd er een herdenkingsdienst gehouden waarbij kaarsjes werden gebrand. Maar niet voor de dader. Had dat wel gemoeten? Was de dader immers ook niet een soort slachtoffer? De discussie begon.
In de synagoge van Zwolle hangt een bord met daarop de namen van de in 1940-1945 omgekomen leden van de plaatselijke joodse gemeente met vermelding van de plaats waar ze werden vermoord. Bijna altijd een vernietigingskamp. Maar van een echtpaar wordt vermeld dat ze in een naburig dorp zijn gestorven. Dardoor nieuwsgierig geworden zocht ik verder en vond in een aanwezig register dat de twee waren gedood door het verzet. Waarom? Ik zocht verder en stuitte op een vreselijk verhaal. Het echtpaar was ondergedoken bij een gezin in de buurt van Zwolle en hun kinderen even verderop in een naburig dorp. De ouders verlangden naar hun kinderen en andersom. Het verlangen was zo groot, dat de ouders hun onderduikadres verschillende malen verlieten om hun kinderen op te zoeken. Meermalen waren zij gewaarschuwd door het verzet om dat niet meer te doen. Zij brachten immers door hun handelwijze zichzelf en anderen in groot doodsgevaar. Maar de ouderliefde was zo groot dat te telkens toch gingen. Het verzet zag geen enkele andere mogelijkheid dan de beide ouders om te brengen en hun lichamen heimelijk en schielijk te begraven. Hoe de schutter van destijds zich voelde bij zijn daad, vermeldt het verhaal niet. Was de man die de trekker overhaalde niet alleen dader, maar ook slachtoffer? En was het joodse echtpaar ook niet een beetje dader?
Enkele maanden geleden was groot in het nieuws het verhaal van een Drentse verzetsman die meegeholpen had een onderduiker, van wie men dacht dat hij aan de verkeerde kant stond, te doden en te begraven. Nu, 65 jaar later, herinnerde hij zich vaag de plek waar het lijk was begraven. Na enig zoeken werden de stoffelijke resten inderdaad gevonden. De oud-verzetsman voelde zich nog steeds bezwaard door de gebeurtenissen van toen. Was er juist gehandeld?
Een aantal jaren geleden bezocht ik in Leipzig een wat ouder echtpaar. De vrouw was van oorsprong Nederlandse en als meisje in de tweede wereldoorlog verliefd geworden op een duitse soldaat. Bij de bevrijding was ze als moffenmeid kaalgeschoren. Nadat haar geliefde uit krijgsgevangenschap teruggekomen was, trouwde ze met hem en verhuisden ze naar de toenmalige DDR. Anders dan degenen die haar destijds knipten, voelde zij zich nog steeds slachtoffer.
Wie zijn de daders en wie de slachtoffers? Is de dader vaak ook niet een slachtoffer en omgekeerd? Of mag je die twee niet door elkaar halen of met elkaar vergelijken? En is ook niet de positie van degene die zich deze vraag stelt van groot belang? Vaak hoor je de klacht dat in ons strafrecht de positie van de dader veel meer aandacht krijgt dan die van het slachtoffer. Rond de jaarlijkse nationale dodenherdenking op 4 mei krijgen de slachtoffers terecht veel aandacht. Maar wie zijn die slachtoffers? Horen daar de talloze Duitse dienstplichtigen die in Nederland hun leven lieten in de strijd tegen onze bevrijders ook bij? De meesten van hen hadden die oorlog niet gewild en waren gedwongen huis en haard te verlaten om in een voor hen vreemd land te sterven. Pas de laatste jaren is hier meer aandacht voor gekomen. Tot genoegen van de een en tot verdriet van de ander. Want lopen we niet het gevaar om daders en slachtoffers niet meer serieus te nemen als we hun posities en rollen vermengen? En waar zijn de grenzen? Is het denkbeeldig dat eens op een lijst van slachtoffers van het nationaalsocialisme de naam van ene A. Hitler, Leider te Berlijn, zal prijken? Of maak ik nu een cynische grap over iets dat geheel ondenkbaar is?
Terug naar de aanleiding, de herdenkingsdienst te Apeldoorn en de daar aangestoken kaarsen. Wat zou ik gedaan hebben? Als geboortig Calvinist ben ik niet opgegroeid met het branden van kaarsen voor overledenen. Toch brandt ik geregeld een kaars. Maar niet zozeer ter gedachtenis aan de dode maar meer ter bemoediging van de overlevenden. Ik zou die extra kaars dus hebben aangestoken. Alleen al ten behoeve van zijn ouders.
Piet Kruizinga.
Thursday, 20 March 2008
Subscribe to:
Posts (Atom)
